Programma orgelconcert Breukelen, 9 augustus 2013 – “Hoeders van de erfenis”

1. C. Ph. E. Bach (1714-1788)
VI. Sonate per L’Organo solo (g-moll, Wotq. 70/6)
Allegro moderato – Adagio – Allegro

2. Felix Mendelssohn (1809-1847)
An:dante sanft. (9ten Mai 1823)
Der kleine Felix, Jacob, Ludwig Mendelssohn Bartholdy

3A. Quartett Mendelssohn

3B. Samuel Wesley (1766-1837)
Fugue composed expressly for Dr Mendelssohn, Sep. 9, 1837

4. Samuel Wesley
Aria Cantabile (Andante poco allegro)

5. Niels Wilhelm Gade (1817-1890)
Moderato (Uit: Drei Tonstücke, Opus 22 No 1)

TOELICHTING

1. Carl Philipp Emanuel Bach was de tweede zoon en leerling van J.S. Bach. Hij schreef tussen 1755 en 1758 een aantal orgelsonates voor zijn leerlinge prinses Anna Amalia van Pruisen, de zus van vorst Frederik de Grote :”…für eine Prinzessin gemacht, die kein Pedal und keine Schwierigkeiten spielen konnte, ob sie sich gleich eine schöne Orgel mit 2 Clavieren und Pedal machen liess, und gerne daruf spielte”. Hoewel hij een volstrekt eigen weg is gegaan, kon Karel Bach geen zweem van kritiek op het werk van zijn vader verduren en waakte hij zeer zorgvuldig over diens nalatenschap.

Hij wordt beschouwd als de meest vooraanstaande componist van kerkmuziek in het Duitsland van de tweede helft van de 18e eeuw. Hij genoot grote roem als leraar en als bespeler van het clavichord. Zelf bezat hij een exemplaar van de beroemde orgelbouwer Silbermann. En hoe “het prinsesje” – die ons trouwens een bibliotheek van-heb-ik-jou-daar naliet – heeft kunnen spelen? Aardig virtuoos, dacht ik zo. Ik zou al blij zijn er enigszins fatsoenlijk uit te komen …

2. In de jaren 1822/1823 bezocht het jongetje Mendelssohn (uiteraard onder begeleiding) Rinck in Darmstadt (leerling van de Bach-leerling Kittel), en Berner in Breslau (helemaal geen verbintenis met Bach, maar “bekeerd” door het spel van een groot-leerling van Bach). Wat de jonge Mendelssohn in vlam zette, was het ongewoon virtuoze pedaalspel van Berner. Een leerling van Berner – Hesse – vierde vanaf 1844 in Parijs triomfen als vertegenwoordiger van de enige (!) Bach-traditie die op dat moment nog van de meester zélf zou afstammen! Ongewoon veel indruk maakte zijn virtuoze pedaalspel. Etc., Etc., Etc. … Jawel, jawel: tot en met Dupré toe! En de “kleine Felix, Jacob, Ludwig”? Hij zette later in Leipzig de Duitse Bach-Renaissance in gang. Ik ben ervan overtuigd dat zijn ontmoetingen in 1822/23 hiervoor beslissend zijn geweest: “Zoals de ouden zongen, piepen de jongen” (Cor Kee).

3 A. is een facsimile uit het Poëzie-album van Eliza Wesley (1819-1895), inderdaad een “Album-Blatt”; we kennen het als genre bij Schumann.

3 B. De fuga is afkomstig uit een map “Sam’s Chaos”. Het is een melancholisch kleinood, kennelijk gecomponeerd met het oog op de ontmoeting tussen Wesley en Mendelssohn op 12 september in Christ Church, Newgate Street, waar de heren elkaar voorspeelden en wederzijds bewonderden. De zwanenzang ook van de “Father of the English organists”, getuige een voetnoot van dochter Eliza onderaan het Albumblatt: “Samuel Wesley died Oct. 11th 1837”.

4. Over Samuel Wesley zelf kan ik niet anders dan met grote genegenheid schrijven (over de andere componisten van vandaag trouwens ook). Zijn leven verliep muzikaal turbulent: neef van de roemruchte grondvester van het Engelse methodisme, Katholiek geworden vanwege de kerkmuziek, ongemeen succesvol geweest tijdens de jaren 1808 t/m 1817, (evenals Schumann) in het gekken-huis gezeten, en een van de gangmakers van de Engelse “Bach-revival” geweest. De fraaie “Aria cantabile” van vandaag is in 1981 door Ewald Kooiman uitgegeven. Een onterecht wat vergeten componist van formaat (zo melancholisch, zo mooi!).

5. Evenals Gade: als dirigent-assistent van Mendelssohn in Leipzig. Moet in 1844 terug naar Denemarken vanwege een oorlog – vertel eens iets nieuws – die was uitgebroken. Dirigent van de Copenhaagse “Musikverein”, één van de oprichters van het conservatorium aldaar (naar Leipzig’s model), veelschrijver, als dirigent een legende. En zondag aan zondag trouw organist, eerst van de Garnizoenskerk, later van de prestigieuze Holmenskerk (vanaf 1858 tot zijn dood).
Het eerste “Tonstück” is een orgellied “ohne Worte”. Een eerbetoon aan vrienden als Mendelssohn en Schumann, ruisend als bomen in de zware zomermiddagzon:

Dan breekt muziek van snaren
aan alle kanten uit
een niet te evenaren
en goddelijk geluid.
(Gezang 288, Liedboek voor de Kerken 1973)

Bätz-orgel, Pieterskerk – Breukelen

Breukelen-BatzorgelHet orgel werd in 1787 gebouwd door Gideon Thomas Bätz, die een instrument leverde met twaalf registers op één manuaal. Maar liefst vijf registers zijn verdeeld in bas en discant, zodat het mogelijk is om op één manuaal tegelijkertijd een begeleiding en een uitkomende stem te laten klinken. Indrukwekkend is de geschilderde Turkse kap, op de afscheiding tussen koor en schip. Hierbij valt de complexe decoratie aan weerszijden en aan de onderzijde van de kas in het niet.

Bätz had onderin de kas veel ruimte opengelaten. Deze ruimte werd in 1867 door C.G.F. Witte benut om een onderpositief aan het orgel toe te voegen. Het bestond uit drie milde registers, die specifiek ten doel hadden om voor- en tussenspelen bij de psalmverzen extra cachet te geven. Tevens verhoogde hij de toonhoogte met een halve toon naar de toenmalige normaaltoon (435 Hz).

In 1905 verving W. van Dijk de nog originele spaanbalgen door een magazijnbalg. In 1926 sloot hij de frontpijpen van de Prestant in de gedeelde tussenvelden (discant, vanaf cis’ en dubbel) af en plaatste hiervoor binnenpijpen. In 1980 restaureerde Gebr. Van Vulpen het orgel. Het pijpwerk werd in de aangetroffen staat hersteld.

Hoofdwerk [I] C – f3
Bourdon 16′
Prestant 8′
Holpijp 8′
Quintadeen 8′ (bas)
Octaaf 4′
Fluit 4′ (bas/discant)
Quint 3′ (bas/discant)
Octaaf 2′ (bas/discant)
Sexquialter IV (discant)
Cornet V (discant)
Mixtuur IV-VIII (bas/discant)
Trompet 8′ (bas/discant)
Tremulant

Bovenmanuaal [II] C – f3
Holfluit 8′
Viola da Gamba 8′
Roerfluit 4′

Pedaal C – d1
aangehangen

Manuaalkoppel